dinsdag 8 mei 2012

Taalproblemen bij kinderen met ADHD

ADHD komt voor bij ongeveer 2 tot 6 procent van de schoolgaande kinderen in Nederland. Veel minder bekend is dat kinderen met ADHD vaak ook taalproblemen hebben.

ADHD is een psychiatrische stoornis die zich uit in aandachtstekort en/of hyperactiviteit-impulsiviteit. Het komt voor bij ongeveer 2 tot 6 procent van de schoolgaande kinderen in Nederland. Veel minder bekend is dat kinderen met ADHD vaak ook taalproblemen hebben. Toch bleek uit een onderzoek dat in 1998 werd gedaan al dat 47 procent van een groep 7- tot 14-jarige kinderen met ADHD voldeed aan de criteria voor een spraaktaalstoornis.

Kinderen met ADHD lijken vooral problemen te hebben met taalproductie, met name op het gebied van de pragmatiek. Pragmatiek omvat de regels en principes die ten grondslag liggen aan het taalgebruik als vorm van sociaal handelen. Het vertellen van een verhaal is een vaak genoemd voorbeeld van een pragmatische vaardigheid. Hoe het nu precies zit met de pragmatische taalproblemen van kinderen met ADHD, en meer in het bijzonder: hoe kinderen met ADHD verhalen vertellen, is echter nog onvoldoende duidelijk.

ADHD betekent Attention Deficit Hyperactivity Disorder, oftewel aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit. Makkelijker te onthouden is misschien Alle Dagen Heel Druk. Toch klopt deze benaming niet helemaal omdat niet iedereen met ADHD hyperactief of druk is! Bij een aandachtstekortstoornis zonder het element van hyperactiviteit, spreekt men ook wel van ADD.

Het kikkerverhaal
Vandaar dat nader onderzocht is hoe kinderen met ADHD verhalen vertellen in vergelijking met zich normaal ontwikkelende leeftijdsgenoten. In totaal werkten 58 kinderen mee aan het experiment, waaronder 26 kinderen met ADHD en 32 kinderen zonder deze afwijking. De 7-, 8-, en 9-jarige Nederlandse kinderen moesten verhalen navertellen. De verhalen werden uitgelokt met behulp van een prentenboek zonder tekst: ‘Frog, where are you?’. Het gaat over een jongen die samen met zijn hond op zoek gaat naar zijn weggelopen kikker. Hij zoekt op allerlei plekken, maar kan hem nergens vinden. Uiteindelijk vindt hij de kikker natuurlijk toch, en neemt hij hem weer mee terug naar huis. Dit verhaal, ook wel het kikkerverhaal genoemd, wordt (inter)nationaal heel vaak gebruikt voor onderzoek naar taalproductie.

Een van de vragen in het onderzoek ging over de manier waarop kinderen met ADHD structuur aanbrengen in hun verhalen. Er werd gekeken naar de hoeveelheid verhaalelementen (maximaal 18) die ze produceerden bij het vertellen van het kikkerverhaal. Voorbeelden van zulke verhaalelementen zijn: ‘de kikker is weg’ en ‘de jongen vindt de kikker’. De verwachting was dat kinderen met ADHD minder verhaalelementen zouden produceren dan zich normaal ontwikkelende kinderen, omdat dat al eerder uit onderzoek was gebleken. In voorgaande onderzoeken moesten de kinderen echter een verhaal uit hun hoofd navertellen of zagen ze een verhaal pas tijdens het vertellen voor de eerste keer. Daardoor werd het vertellen van het verhaal, een talig toch al zo complexe taak, nog moeilijker. De kinderen in dit onderzoek mochten daarom eerst een keer door het boek bladeren en het daarna, tijdens het vertellen, nog eens doorbladeren. De verhalen werden opgenomen en vervolgens verwerkt met behulp van CHILDES, een veelgebruikt transcriptie- en analyseprogramma.

Hoewel de ruimte ontbreekt om uitvoerig in te gaan op de analysemethode, wordt hieronder wel een voorbeeld van een (deel van) een geanalyseerd transcript gegeven. In dit voorbeeld verwoordt een 8-jarige jongen met ADHD 4 verhaalelementen helemaal en verwoordt hij 1 verhaalelement gedeeltelijk. Om een en ander in perspectief te kunnen zetten, is het belangrijk om te weten dat er bij dit fragment in totaal 11 verhaalelementen verwoord hadden kunnen worden.

Rode draad
De resultaten wezen uit dat kinderen met ADHD, ook al was de verteltaak in vergelijking met eerdere onderzoeken niet zo belastend, minder verhaalelementen produceerden dan zich normaal ontwikkelende kinderen. Dat betekent dat ze in het algemeen niet goed in staat waren structuur aan te brengen in hun verhalen, sterker nog: ze hadden wat dit betreft een ontwikkelingsachterstand van bijna twee jaar!

Bij nadere analyse bleek dat kinderen met ADHD met name slechter scoorden op die categorie verhaalelementen die samen ‘de rode draad’ van het verhaal weergeven. Kinderen met een normale ontwikkeling kunnen deze categorie verhaalelementen al redelijk verwoorden als ze 6 à 7 jaar zijn, maar kinderen met ADHD doen het zelfs met 9 jaar eigenlijk nog niet. Zowel voor henzelf, als voor hun omgeving, moet dit erg frustrerend zijn.

Een mogelijke oorzaak die wel genoemd wordt voor de gedrags- en taalproblemen van kinderen met ADHD is het executief dysfunctioneren van deze kinderen. Executief functioneren is eigenlijk een verzamelterm voor een heel aantal cognitieve vaardigheden, zoals bijvoorbeeld het kunnen ondrukken van impulsen. Samen zorgen executieve functies ervoor dat iemand in staat is iets te organiseren en te controleren. Er is onderzoek dat erop wijst dat de gedragsproblemen van kinderen met ADHD inderdaad te wijten zouden kunnen zijn aan executief dysfunctioneren. Omdat de taalproblemen van kinderen met ADHD ook wijzen op moeite met organiseren en controleren (denk aan de ‘rode draad’ van het verhaal die ze nauwelijks konden verwoorden), zou het zo kunnen zijn dat ook die taalproblemen door executief dysfunctioneren veroorzaakt worden.

Aandacht voor taal
ADHD-ers zijn dus niet alléén ‘alle dagen heel druk’. Ze hebben ook behoorlijke taalproblemen. Dit komt met name op het gebied van de pragmatiek naar voren, zo hebben ze bijvoorbeeld bij het leren vertellen van verhalen een ontwikkelingsachterstand van bijna twee jaar. Met name de ‘rode draad’ wordt in hun verhalen nauwelijks verwoord, misschien door een onderliggend probleem in executief functioneren, en daardoor hebben mensen die naar hun verhalen luisteren, vaak veel moeite hun verhaal te volgen, of begrijpen ze het verhaal verkeerd.

Kinderen met ADHD hebben vaak ook allerlei soorten leerproblemen. Meestal wordt dat geweten aan hun gedragsproblemen, maar taalproblemen spelen daarbij waarschijnlijk ook een belangrijke rol. En dat impliceert dan weer dat, niet alleen thuis of in de klas, maar ook in het onderzoek en in de behandeling van deze kinderen, taal meer aandacht moet krijgen dan nu vaak het geval is.

Esther Parigger is klinisch psycholoog en promoveert aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en het Amsterdam Center for Language and Communication (ACLC).





Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Zoeken in Bol.com